CATALONIË

Taal, cultuur en literatuur

Prozavertalingen

ViladelsacHet verhaal ‘De dinosaurus’ van Damià Bardera Poch is afkomstig van de website Paper de vidre (Glaspapier) dat elke week een kort verhaal publiceert. In dit geval was dat in de rubriek ‘Inèdit’, waarvoor bekende auteurs een nog niet gepubliceerde vertelling cadeau doen.

De dinosaurus

Er was eens een weesjongetje van vaders- en moederskant die altijd binnenin een levensgroot provinciaal weeshuis had gewoond, een grijs en rechtlijnig weeshuis, gevuld met zwijgzame nonnen, kruisbeelden aan de muur en een enkele soutane. De gangen zijn lang en treurig, ze houden maar niet op, en alle vertrekken ruiken naar bleekwater en gekookte aardappelen met snijbonen. Hij deelt zijn kamer met een weesjongetje alleen van vaderskant en allebei liggen ze op zondagmiddag op hun respectievelijke bed en bekijken ze door het vensterglas de gedaanteverwisselingen van de wolken. Als er op een dag een Dinousaurus aan de hemel zou verschijnen, een Diplodocus of een Tyrannosaurus Rex – gaan ze allebei hun koffers pakken – daar hebben ze bijna geen werk aan – en beginnen ze aan een heftige reis op zoek naar nieuwe avonturen, ver van het moederweeshuis. Het weesjongetje-van-vaders-en-moederskant, beroofd van elke bloedband en ervan overtuigd dat het Grote Reptiel op een dag aan het firmament zal verschijnen, reist dan met zijn vriend de wereld rond om diens biologische moeder te zoeken die in een ver land woont met een spuit in haar arm geprikt, volgens een van de nonnen van het weeshuis.
Eindelijk, op een van de vele saaie zondagmiddagen, springt het weesjongetje-van-vaders-en-moederskant plotseling op van zijn bed, wijst geëmotioneerd naar de lucht en zegt tegen zijn vriend:
‘Hé, weesjongetje-alleen-van-vaderskant, kijk, dat is onze Dinosaurus! Een Diplodocus!’
Maar het lukt het weesjongetje-alleen-van-vaderskant niet om die erin te zien. Hij kijkt zwijgend van achter het vensterglas naar de wolk, kijkt nog eens, raadpleegt de plaatjes in het boek over dinosaurussen en werpt dan weer een blik op de wolk alsof er niets is gebeurd. Geen spoor van de Diplodocus.
‘Echt waar, weesjongetje-alleen-van-vaderskant, echt waar, kijk dan goed!’
Maar het weesjongetje-alleen-van-vaderskant ontwaart nauwelijks iets – misschien een slordige giraf – en onmiddellijk gaan ze een ongebruikelijk debat aan over de aard en de essentie van wolken en dinosaurussen. Na verloop van vier uur kijken ze, helemaal leeg na het maken van zoveel ruzie, nog een keer door het raam – het begint donker te worden – en is er geen wolk meer aan de hemel. De wind heeft ze allemaal weggeveegd.

Gepubliceerd met toestemming van de auteur.
Illustratie: voorkant van de eerste roman Damià Bardera, Viladelsac (Editorial El Cep i la Nansa, 2015).

****************************************************

Unknown-1Voor het uitgaansmagazine Time Out schreef Francesc Serés enkele jaren geleden 37 korte verhalen met dezelfde leidraad: relaties, liefde en het gebrek daaraan. Deze vertellingen zijn later gebundeld in Mossegar la poma (‘In de appel bijten’). Hier volgt een van die verhalen, een aangrijpend scène uit het leven van een gezin en de complexe verhouding met hun meedogenloze en tegelijk kwetsbare zoon van veertien.

Einde oefening

Jordi en Magda hadden Nil op voetbal gedaan, omdat hij daar al een jaar om had gevraagd en ze dachten dat het deze keer misschien anders zou gaan. Hoewel ze wisten hoe het zou aflopen, moesten ze het toch proberen.
Die drie maanden van bezorgdheid eindigden met een trap naar het hoofd van een andere jongen en een flinke snee. Aangezien ze wisten hoe ze hem moesten jennen omdat er in de ploeg van Berga een paar jongens zitten die mensen uit Gironella kennen, was het zelfs te gemakkelijk. Na een overtreding hadden ze beet:
‘Komt je vader niet naar je kijken?’, hadden ze twee keer tegen hem gezegd. Bij de derde was hij ontploft.
‘Ja, hij staat daar, maar je ziet hem niet. Dat slagschip van die kutmoeder van jou staat er voor.’
En daar kwamen ze al. Stompen, trappen, weggestuurd en naar huis.
Jordi zit zwijgend aan het stuur, af en toe kijkt hij naar hem in de achteruitkijkspiegel, maar hij zegt niets. Magda ook en Nuri, die naast Nil zit, doet alsof er niets aan de hand is en vermaakt zich door de getallen op te tellen die op de verkeersborden staan. Magda merkt zachtjes op dat ze de ouders van die andere jongen zouden moeten bellen om te vragen of ze de snee hebben kunnen hechten.
Maar Nil geeft geen antwoord. Hij is boos geworden, terwijl de psychologe tegen hem zegt dat hij dat nou juist nooit moet doen, maar dat is waar hij het meeste zin in heeft wanneer ze het op hem gemunt hebben. Bovendien ziet hij geen andere oplossing: als iemand hem lastig valt, slaat hij terug, hij laat niets over zijn kant gaan. Daarom begrijpt hij niet dat Jordi niet precies hetzelfde reageert.
Jordi is Jordi en hij zegt al geen vader meer tegen hem. Daar is Nil nog niet helemaal uit, hij is er nog niet helemaal uit of hij nou vader tegen hem moet zeggen of niet. Hij heeft de psychologe uitgelegd dat zijn grootste probleem was er achter te komen hoe hij hem moest noemen. Want zijn echte vader was nou eenmaal die andere meneer die zich niet als zijn vader gedroeg, terwijl Jordi die hem wel als zodanig opvoedde er niets mee van doen had gehad… De psychologe had door dat het verhaal voor hem heel duidelijk was: die andere meneer was met zijn moeder naar bed geweest toen Jordi en zij al getrouwd waren en negen maanden later kwam hij tevoorschijn. Als de psychologe nog twijfelde, hoefde ze alleen maar naar een website van een visclub te gaan om te zien hoe zijn vader eruit zag. Hetzelfde als hij, precies hetzelfde.
‘Daar heb ik ook aan gedacht’, zei hij tegen de psychologe, ‘als ik niet zo op hem had geleken, zou het gemakkelijker zijn, maar ik heb zelfs zijn hoektanden die bij mij verder uitsteken dan mijn snijtanden. En mijn wenkbrauwen net als het logo van Citroën. Jordi ziet er leuker uit, dat wel, maar hij is niet mijn vader.
Veertien was hij en hij had twee vaders in Gironella. Bij de ene woonde hij en met de andere moest hij vaak afspreken. Altijd en eeuwig moest hij vechten met de jongens van school, met die op straat en nu ook met die van voetbal. Vorige week was het zijn naamdag, maar hij wilde het niet vieren. Nuri is de enige die hem een beetje begrijpt. Zij is ook het mikpunt, daarom telt ze kilometers in plaats van te praten.
‘Zeggen jullie niks? Moeten jullie me niet op mijn kop geven?’, zegt Nil ineens.
Stilte, Jordi doet alsof hij iets wil zeggen, maar hij doet er het zwijgen toe. Hij probeert het nog eens, maar het lijkt wel of iemand zijn mond dicht houdt. Magda kijkt naar hem. Zij heeft nog nooit iets gezegd.
Nadat hij de auto in de garage heeft gezet, kan hij eindelijk de moed opbrengen, voor het eerst.
‘Ik wil je niet meer op je kop geven, Nil. Ik kan je niet op je kop geven, want je trekt je niets van mij aan’, antwoordt Jordi hem, nadat hij de auto heeft geparkeerd. De deur van de garage is dichtgegaan. Ze blijven in de auto zitten.
‘En jij ook niet’, zegt hij tegen Magda, maar Magda antwoordt niet.
‘Wat wil je dat ik tegen je zeg, Nil?’
‘Waarom jaagt iedereen mij op stang?’
‘Volgens mij weet je dat net zo goed als ik.’
‘En gaat dat dan mijn hele leven zo?’
‘Ik weet het niet, Nil. Ik jaag je nooit op stang. Maar nu doe je dat wel bij mij. Laten we naar boven gaan, je moet onder de douche.’
‘Ik wil niet onder de douche.’
‘Je gaat stinken’, zegt Nuri tegen hem.
‘Nog erger? Het lijkt al een hele tijd of iedereen zijn neus dichthoudt wanneer ik langs loop.’
‘Dat is niet waar’, zegt Magda tegen hem, ‘hier in huis stikt er niemand.’
‘Van jou zeggen ze dat ook’, hij geeft een schop tegen de achterkant van de stoel, maar ze reageert niet.
‘Nil!’, roept Jordi.
‘En van mij ook, Jordi, en van mij ook! En van jou. Ze zeggen het van iedereen, behalve van Nuri.’
‘En nou vind ik het genoeg voor vandaag’, antwoordt Jordi hem.
‘Ik heb er al jaren genoeg van, Jordi. Ik kan nergens heen of ze wrijven me onder mijn neus dat ik geen kind van jou ben. “Wat lijk je toch op de timmerman”, zei eentje laatst tegen mij. Wat vind jij ervan, Magda?’
Magda… Tot dan toe had hij altijd moeder tegen haar gezegd. Jordi en Magda verstijven. Nuri niet.
‘Kunnen we al uitstappen?’, vraagt ze. De tl-buizen zijn uitgegaan en er komt niet veel licht binnen.
‘Ja, we kunnen al uitstappen’, antwoordt Nil, maar Jordi en Magda kunnen niet van hun stoel af komen. Nuri opent de deur, zodat de lichten weer aangaan, maar ze stapt niet uit. Ze heeft hem te hard open gedaan en de hele auto schudt.
‘Kom, we gaan’, zegt hij.
‘Ik kan mezelf wel uitschrijven bij dat voetbal… Als jullie willen, kan ik proberen of ze me bij basketbal willen hebben, want nu ben ik al veertien!’ Het is beter dat ik niet naar die bergwandelclub ga, daar is de zoon van de timmerman bij gegaan… Die andere, bedoel ik, mijn halfbroer. Voor het geval we elkaar allemaal tegen het lijf lopen. Zijn grootouders zouden wel eens kunnen komen. Op school zouden ze zich ziek lachen.
Magda begint te huilen. Nil wil haar weer schoppen, maar Nuri houdt hem tegen. Jordi huilt ook.
Op de achterbank huilt niemand.

Met dank aan Quaderns Crema S.A.U.
De originele Catalaanse tekst is te vinden in Mossegar la poma van Francesc Serés, Quaderns Crema, Barcelona, 2012

****************************************************

RieraDe schrijfster Carme Riera maakte ooit haar spraakmakende debuut met twee verhalenbundels die in Nederland zijn verschenen  onder de titel Balkons met trieste dromen. In veel van deze verhalen speelt de zee een belangrijke rol, als achtergrond of als personage. Twee ervan met een variatie op hetzelfde thema kun je hieronder lezen.

Zeegezicht voor een moord

De badgasten verdrongen zich eromheen. Het was een lichaam van een man dat half begraven lag in het zand en dat kinderen even daarvoor hadden gevonden. Hij droeg een marineblauw pak, zijden das, gestreept overhemd. Een verwelkte lelie hing uit zijn knoopsgat. Hij vertoonde geen sporen van geweld, maar een straaltje bloed, een lijntje van gestold bloed, kwam uit zijn mond. Zijn gezicht was rustig, zijn ogen waren dicht…

De politie kwam en een ambulance. Ze legden hem op een brancard. Ze doorzochten zijn zakken, zijn binnenzakken en de voeringen. Ze zochten de portefeuille met documenten, een of ander kenteken ter identificatie. Ze vonden slechts een zeester, spierwitte schelpen en een blauw vel getypt papier:

‘Ik heb hem met licht gedood vlak langs de zee en de meeuwen vluchtten. Met tranen, met verdriet, met alle pijn van de wereld heb ik het gedaan. Bang voor de dood straalden zijn ogen een tedere helderheid uit over het zand. Ze waren blauw. Ik heb ze gesloten. Het kostte me erg veel moeite, maar het was mijn plicht. Ondanks de triestheid die mij droevig stemde, heb ik er geen spijt van. Ik weet dat het de enige manier was om zijn geweten wakker te schudden.’

De lijkschouwer oordeelde: ‘Hij is dood’ en tekende enige papieren. De rechter beval de berging van het lijk en zijn lichaam werd naar het gemeentelijk lijkenhuis vervoerd.

Dagen daarna meldden de pers, de radio en de televisie dat de regering een beloning van één miljoen peseta’s had uitgeloofd aan degene die de moordenaar zou vinden. Het was overduidelijk dat het om een politieke misdaad ging.

—–

Bij afwezigheid van de dood heb ik haar zelf gedood, vlakbij de zee

‘Mijnheer de president, mijnheer de openbare aanklager, dames en heren in de zaal, aangezien ik advocaat ben, heb ik toestemming gevraagd en gekregen van deze Hoge Raad om mijzelf te verdedigen. Volgens de bewijzen die mijnheer de openbare aanklager zojuist op tafel heeft gelegd, daarbij rekening houdend met de verklaring van enkele getuigen, ben ik schuldig aan moord met voorbedachten rade.

Maar de verklaringen van al deze getuigen, dames en heren, zijn absoluut onjuist. Onjuist, want ik weet heel zeker dat niemand heeft gezien hoe de zon langzamerhand met bloed werd besmeurd terwijl de meeuwen vluchtten.

Niemand zag de hand die haar keel dichtkneep, hoe ze langzaamaan grijsblauw werd, de kleur van een ziekelijke zee. Niemand luisterde naar haar kreten die de sterren om hulp vroegen.

Op het verlaten strand, vlakbij de zee, slechts zij en ik in mijn-haar armen. Zelfs de dood was afwezig, hij had het te druk die middag.’

Uit: Balkons met trieste dromen, Carme Riera, uitgeverij Sara/Van Gennep, 1988. Vertaling: Marga Demmers

****************************************************

gimferrerOf Fortuny (1983) van Pere Gimferrer een roman of een serie verhalen is, daar zijn de critici nog niet uit. In ieder geval is het een interessante aaneenschakeling van teksten over bekende en minder bekende Catalanen, Spanjaarden en andere wereldbewoners. Hieronder een tekst over Marily Monroe en haar relatie met diverse auteurs.

Marilyn en de schrijvers
Dit blonde meisje met vochtige ogen en vlezige lippen, is zij het zinnebeeld van het lichaam of van de kunstmatigheid? Haar blik wordt wazig, haar stem klinkt dromerig: af en toe kijken haar ogen enigszins verbaasd. Het blonde meisje is tegelijkertijd lichaam en kunstmatigheid; wij worden aangesproken door de aanraking van nylon, van satijn, van zijde, en door de royale aanzet van de aardbeikleurige lippenstift, en het weelderige en verstikkende spinnenweb van de zwarte netkousen, en de krachtige vlam van het brons van haar huid. Vreemd voorwerp: een lichaam. De schrijver – een man van het woord, een man van de idee – bevindt zich aan de andere pool. Het woord, de idee, het zijn abstracties; het lichaam is concreet. Eén pool trekt de andere aan. Ontkenning van het woord, ontkenning van de idee, Marilyn is het magnetisch centrum van de mannen van het woord en van de idee. Juist omdat er niets minder intellectueels bestaat dan Marilyn, is zij voorbestemd tot een mythe te worden voor de intellectuelen. Zij onderhoudt een dubbelzinnige relatie met hen: één van verbijstering, van medeplichtigheid.

Kijk bijvoorbeeld eens naar Arthur Miller, die magere, sluwe vogel. Het is een serie foto’s die in 1960 in Los Angeles genomen zijn. In het begin lacht Marilyn, in bh en slipje, beide zwart, naar de camera. Later kijkt zij rechts van de afbeelding; op de volgende foto staat zij met haar gulle rug naar ons toe en begint een soort luik te openen. De laatste foto is de voorbeeldige synthese van de relatie van de ster met de dramaturg.

Marilyn verbergt zich achter het luik en toont de lens minder dan de helft van haar lichaam: de helft van een glimlach, de ronding van haar hiel, haar been schuin, de rug van haar handen, een donkere glimp van haar buik, de heldere glans van een oog. Rechts staat Arthur Miller, onderzoekend en verbaasd, in wandelkostuum, geheel opgedoft – lichte colbert, overhemd met witte boord, bril met hoornen montuur, zijn handen in zijn zakken -, hij gluurt naar Marilyn. Hij observeert van opzij en bestudeert hetgeen aan het oog van de camera wordt onttrokken: precies de rol die hij doorgaans in het openbare leven als echtgenoot had. Wij zien dat in een duister vlak van de afbeelding de onzekerheid huist. Marilyn spreekt een andere taal, waarvan hij noch wij de code bezitten.

Laten wij een volgende serie foto’s bekijken, die genomen zijn in 1962, het jaar van Marilyns dood. Nu is de ster in het gezelschap van een dichter: Carl Sandburg. Wij associëren Sandburg, machtige patriarch, met de glans van het staal, het glas en de sneeuw van Chicago; zijn stem heeft de stugge kilheid van de industriële wereld en de egale leegte van de straten die ruiken naar de aanraking van velgen van autobanden. Maar die Sandburg die wij met Marilyn zien lijkt eerder een oude boerenpummel, sarcastisch en geestig. De eerst foto is bijna pathetisch: een Sandburg met de dichte, sombere uitdrukking van de onverschillige vermoeidheid van een Romeinse patriciër, verscholen achter het bont van een ijsbeer of een nerts, en een Marilyn met gezwollen gelaatstrekken en piekerig haar dat over haar voorhoofd hangt. Zij hebben beiden een glas champagne in hun rechterhand en kijken elkaar sceptisch en met alcoholische ironie aan. Op de volgende foto zijn ze tot actie overgegaan: zij maken gymnastische kniebuigingen op de grond, terwijl de lege glazen op tafel staan te wachten. De laatste foto, met tegenlicht, met kunstmatig avondlicht, toont ons de dans van de jonge nimf en de oude faun: met hun handen in elkaar en hun armen omhoog dansen Sandburg en Marilyn alleen in het schemerige vertrek. Een zichtbaar gedicht?

Er is nog een andere Marilyn die op een duizelingwekkend feestje staat te praten met een kameleontisch, schreeuwerig personage: Truman Capote, de Petronio van de jet-set, degene die droomde van de ijzige, tere juwelen van een ontbij bij Tiffany. Muziek voor kameleons geeft Capote het boek als titel, waarin hij en Marilyn praten. Dialoog van twee wereldse maskers; van binnen verft het bloed de make-up. Maar de meest diepzinnige relatie van allen heeft Marilyn met een man die zij nooit gekend heeft. Honderd jaar geleden droomde deze Slaaf met diepzinnige ogen – Dostojevski – van een veranderlijk, pathetisch meisje dat altijd op het punt van instorten staat omdat zij zo gespannen en zo breekbaar en neurotisch is. Zij ging de rol achterna die de studio’s haar niet toebedeelden – de rol van Groesjenka in De gebroeders Karamazov – en in augustus 1962 liep Marilyn de waarheid tegen het lijf die het hard ochtendlicht toond en haar naakte huid verwondde.

Uit: ‘Het Moment’, Kwartaalboek voor nieuwe literatuur en kunst, winter 1987. Oorspronkelijk tekst is uit Fortuny, uitgeverij Planeta, Barcelona, 1983. Vertaling: Marga Demmers.

****************************************************

PinyolAbsurd, ironisch, surrealistisch, … Hiermee typeren critici de microverhalen van de Catalaanse schrijver Joan Pinyol (Capellades, 1966). In weinig, goed gekozen woorden (soms maar twee, drie zinnen) beschrijft hij vaak met humor alledaagse situaties, waarbij hij laat zien dat redeneren niet de enige manier is om de werkelijkheid te interpreteren. Met oog voor de kleinste details en gebruik makend van alle middelen die de taal ons biedt. Het resultaat is een bonbonnetje, waar je keer op keer van kunt genieten. Om de smaak te pakken te krijgen volgen hieronder drie verhalen uit de bundel Negenennegentig manieren om nog niet op de maan te wonen (Noranta-nou maneres de no viure encara a la lluna) .

Heldere vonnissen
De ter dood veroordeelde drukte rustig zijn sigaret uit. Zijn vonnis zou de volgende zondag worden voltrokken en alle helderzienden hadden gezamenlijk het einde van de wereld aangekondigd voor de dag ervoor. Dat was een bericht dat zijn beul enorm zenuwachtig maakte.

Dodelijke haast
Gulzig liep hij de keuken in en in tienden van seconden schrokte hij het staartje water naar binnen dat in de plastic fles zat. Met zoveel instinctieve spoed heeft hij nooit, zelfs niet op het eerste gezicht, de twee vissen opgemerkt die zijn zusje net voor zijn verjaardag had gekocht.

Niets nieuws
Toen de nieuwsgierige op de onderzoeker toeliep en hem vroeg of hij tussen het stof nog iets nieuws had gevonden, antwoordde de archeoloog hem dat het hem erg speet maar nee, omdat alle stukken die hij tevoorschijn haalde meer dan tweeduizend jaar oud waren. Nu beiden het met elkaar eens waren, verwijderde de nieuwsgierige zich met een gerust gevoel.

Uit: Noranta-nou maneres de no viure encara a la lluna van Joan Pinyol, uitgeverij 7 i mig, Benicull de Xúquer, 2001.

Voor meer informatie:
pagina van Joan Pinyol op de website Associació d’Escriptors en Llengua Catalana
weblog van Joan Pinyol

2 reacties op “Prozavertalingen

  1. Pingback: ‘Einde oefening’, verhaal van Francesc Serés | CATALONIË

  2. Pingback: ‘De dinosaurus’, een kort verhaal van Damià Bardera Poch | CATALONIË

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Noteer hier je e-mail om dit weblog te volgen.

Binnenkort

Wandelroute 'Camí de Picasso'

Het dorpje Gósol

Roman 'Tuin aan zee' Mercè Rodoreda)

De 'alpargata'

Het alternatieve volkslied

%d bloggers liken dit: